W.B.E. Paravicini di Capelli

Paravicini di Capelli was an artillery-captain at the time of the Batavian Republic and aide-de-camp of the Cape governor, General Jan Willem Janssens. He travelled with the governor into the interior, keeping an official journal as well as his own, and was active in preparations of the Cape against attack by the British, travelling widely during this period. In 1804 he returned to Holland.

Hottentot Andrea Zwart Boye’

haar gezicht al de teekenen van een redelyk geslepen vernuft en geest, en gaf er in deze onderhandeling verschyde blyken van. De kleding zoo van deze vrouw als van den Koning verschilde in niets van de overige Kaffers, alleenlyk had Gaicka eenige lange snoeren fyne witte Coralen omhangen, welke by uitsluyting het optooysel en teeken van opperhoofd of koning zyn.

Zy spysde deze middag aan onze tafel; de Koning zag naauwkeurig toe hoe wy de lepel, vork en mes gebruikte, en dit afgezien hebbende, bezigde Zyne Majesteit de zelve of hy niet anders gewoon was. Het Europische eten smaakte hun ongemeen, gelyk ook de wyn. Gaicka zorgde met veel heuschheid dat zyn kapiteinen welke rondsom de tent zaten ook iets mede kregen. Telkens als hy een goede portie op zyn bord nam, at hy er jets van en rykte het vervolgens aan zyne gunstelingen. De Moeder Koninginne, benevens de vrouwen des Konings, badden uitermate apetyt en dronken een goede hoeveelheid Kaapwyn.

De Gouverneur gaf des avonds eenige kledingstukken die hun by uitstek we1 bevielen, en zy ook dadelyk aantogen. 1k droeg gemeenlyk een blauw jacket dat van een oude montering gemaakt was en eene byzonder snit had, zoo dat de Generaal, een extra antipathie aan dit stuk myner guarde robe hebbende, met eenparigheid van stemmen werd besloten, de Koning Gaicka er mede nit te dossen. De heer van Rheene, een zwaar wel uitgegroeyd mensch, had even als ik een stuk in zyn klederkast dat gedoemd werd om aan de Koninginne moeder te worden vereerd, bestaande in een Chitse Chambreloupe in welke hy gemeenlyk sliep. De Generaal voegde by de kledingstukken voor Gaicka een zwart zyde camisool, een geele nanking pantalon, en een paar soldatenschoenen. De vier vrouwen ontfingcu ieder een wit linnen soldate hemd. Op deze wyze de Koninglyke Famille uitgemonsterd hebbende, waren zy de bewondering hunner onderdanen en kwamen trots te voorschyn zich zelve en elkanderen met veel welgevallcu beschouwcude.

De hoed met vederen van den Generaal maakte de Koning vooral zeer gelukkig. Hy zeide dat de kross van de gouverneur (hier mede de mantel meenende) hem ook wel zoude bevallen. Dit werd echter maar voor notificatie aangenomen.

VRYDAG den 24e JUNY. Heden morgen was de twede byeenkomst tusschen den Gouverneur en de Kafferkoning. De Generaal had zich in zyn tent geplaatst, oinringd van de militaire officieren, de heer Van Rheenen en de burger commandanten. Koning Gaicka die wy verwagt hadden dat zich in het fraay Europisch tooysel van de vorige dag zoude vertoond hebben, had tog te veel gevoel van de koninglyke waardigheid die hy by deze vergadering moest aannemen, dan dat hy zich als san ons verplicht met onze geschenken by de vrede onderhandelingen wilde vertonen, zoo dat hy (zoo als zeer verstandig van hem was ingezien) als onafhangelyk opperhoofd der Kaffer Natie willende verschynen, in zyn koninglyke tygerhuyd met ale zyne koralen omhangen en een kroon van witte koralen op het hoofd in de tent trad, en zich op de voor hem bestemde plaats tegens over de Generaal nederzette omringd van zyne kapiteinen, zyne moeder en twee vrouwcu naast hem hebbende. Een groote menigte van zyn onderdanen schaarde rich halve cirkels gewyze agter hem, ale met de wapens aan hunne voeten.

Coenraad de Buis benevens een Gonacqua Hottentot, Hendrik genaamd, waren de tolken tusschen de onderhandelende partyen. Gaicka sprak met veel bezadigheid en gezond verstand; zoodra hem een punt werd voorgelegd, hield hy raad met zyne vertrouwdste kapiteinen en beantwoorde dan met vastheid, tusschen beide zeer wyze aanmerkingen makende. Onder meer andere bewyzen van zyn gezond verstand wil ik alleen het volgende ten bydrage doen

English summary

obtained a Kaffir (Xhosa) equivalent immediately for a Dutch word from colonists who bed fled to Kaffirland. Thus I have been able to draw up a much more accurate and extensive collection which follows here without omission. The words illustrate the degree of mental development of the Kaffirs and the concepts approximating to civilization. One could even make deductions from this list regarding their ideas of religion, but I prefer to leave this to experts and give below (the 180 words with their Dutch equivalents).

Next, the weapons of the Kaffirs: the making of shields from hides, the assegai and the way in which it is used, especially in hunting. A description of the knob-stick (kerrie) which resembles a dub and is also used to kill game and birds at a distance. The working by the Kaffir of iron obtained from rocks, from wrecked ships, and that which is bartered or stolen from the Colonists, to fashion assegais. A description of the Kaffir method of smelting iron from native rock by means of a hollowed-out white ant-heap and home-made bellows. The process of hammering the glowing iron with stones attached to wooden handles till a thin plate is obtained to make the blade of an assegai, which is then scoured to the proper shape.

The Kaffirs love gew-gaws of all kinds which they are only too eager to obtain in exchange for ivory bangles, rings, assegais and kerries. They prize razors above all.

Never did we have the slightest unpleasantness while among the Kaffirs and we regretted leaving them. I leave them, too, to resume my narrative of the journey.

SATURDAY, 25 JUNE. This morning Coenraad de Buys came to take leave of the Governor, returning to where he lived in Kaffirland in order to make arrangements to come back soon to the Colony.

Our route back was the same as on the journey here. The Commandants Linde and Human shot an eland, largest of the antelope species, weighing up to seven or eight hundred pounds. These animals when wounded, sometimes charge the hunter with their formidable horns levelled. We roasted eland loin for the midday meal at a little stream, but the strong wind set fire to the surrounding dry grass and bush at our camp and likewise to that of the colonists. The two fires approaching each other, threatened oxen, wagons and horses. We saddled and made off just in time, losing some equipment, including my sword which I got back afterwards with the sword-knot and cord burnt off entirely. An hour afterwards we had another experience; a swarm of locusts which lasted a quarter of an hour and forced us to dismount, wrap our cloaks around us and shelter our faces against the horses. The insects lay some three inches thick on the ground and as we moved forward in this mess the Hottentots gathered sacks full of the ugly creatures which they string on sprigs and roast as a delicacy! By five o’clock we were at our camp on the Koonap River.

SUNDAY, 26 JUNE. This morning we continued to the Kaga River where we had the midday meal. Here the Commandants Botha and Human left us with the men of their commandos (to return over Kookhuis to the Langkloof). The Commandants were moved when they left and so were we since both they and their young men by their genteel and courteous behaviour in all respects gave the Governor cause for satisfaction. The oxen of Commandants Human and Linde were exhausted and they took a shorter route, to meet us again at Graaff-Reinet. This night our camp stood in an open plain on a deserted farm (Vleyplaats?) of Prinsloo, granted during the Graaff-Reinet disturbances. In Graaff-Reinet we shall try to discover why farms were ever granted to far beyond the Great Fish River.

This evening we saw an unusual, bright blue circle around the moon. Everyone m our company declared that they had never seen the like before.