Die drie middelstes is, van links na regs, Samuel Isaak, Hendrik Witbooi en Isaak Witbooi

Hendrik Witbooi, gebore in Pella, suid van die Oranjerivier, is as evangelis opgelei. Daarna het hy noordwaarts getrek na Gibeon in Namibia, waar hy ‘n magsposisie verwerf, veldtogte teen die Herero onderneem en baie van hulle aan hom onderwerp. Sy dagboek, gehou tussen 1884 en 1894, is in Nederlands, met ‘n inleiding, vertaal uit Duits in Engels, deur Gustav Voigts, ‘n lid van die SWA Wetenskaplike Vereniging.

Hierdie merkwaardige publikasie is eerder ‘n versameling briewe as ‘n dagboek en dit beskryf die Nama-kapteinHendrik Witbooi, se verset teen die Duitsers se invalle in die gebied van die Gamsberg suidwes van Windhoek. Hoewel Witbooi in die inleiding van die publikasie beskryf word as die “verskrikking van Hereroland”, word hy tans beskou as ‘n uitstekende guerillaleierDit is die verhaal van ‘n besondere man, vertel in sy eie woorde.  

UITTREKSEL UIT DIE TEKS

No 39.

Hoornkrans den 23 Juny 1891.

Myn lieve Samuel Maharero!

Ik maak weder deze paar regelen aan U. Ik heb een brief voor U en heele Herero kinders gegeven, zoo vraag ik U, of U deze brief nog niet ontvangen hebt ? en als U zoud gekregen hebt, dan wach ik op aantwoord, want als U my reeds zoud geaantwoord hebt, zoo heb ik de aantwoord nog niet gekregen, zoo verzoek ik U zeer vriendelyk, om my toch antwoord te geven. Ik kapitein

Hendrik Witbooi.

 

No. 40.

Hornkrans den 28 Juny 1891.

Geliefde Eerwaarde Heer R. Doncan!

Ik maak U nog verder bekend, ik hoor dingen van de Duitschters, wat niet goed zyn voor my, en wat ook miesschien onze werken zal tegen staan, en verhinderen, en deze dingen geven my groote bedenkens, want de Duitschters is nu in ons land ingekomen, en heeft nu al zyne regten ingesteld ik heb nu van myne ampenaars gehoor, dat nu eene groote brief voor de stor van Rehoboth opgespyker is, waarop hy zyne regten opgeschreven heeft maar ik sta reeds in werk op deze grond van ons rooi menschen, en ik kan niet verstaan, wat de eigenlyke voornemens is van de Duitschters by zeg tot de hoofden van deze land, dat zy met hem vriendschap maken, omdat de andere sterke naties hunne grond zal vatten, maar het lyk nu, dat hy die man is wat de land wil vatten, ik heb een brief voor de Leeraar en witte mannen, wat op Atsab zyn gegeven, en gezeg, dat zy die jonge damaras vat nog daar op Atsab zyn moeten laten gaan, want door hun zyn die damaras nog op Atsab, want ik heb Atsab overwonnen en verbrand, en die damaras hebben die dag in de huizen der witte mannen en Leeraar ingevlug, zoo heb ik myne handen trug getrek, want ik heb niets met witte menschen te doen, want ik heb eerbied voor witte menschen, en ik wil niet tot witte menschen iets wat aanstootelyks [is] doen of spreken, daarom heb ik die huizen niet aangeraak, en verschoon die huizen van die witte mannen, alhoewel myne vyanden daar ingevlug hebben, zoo heb ik voor die witte mannen gezeg, dat zy die damaras moeten laten gaan, dat ik niet weder op Atsab met oorlog kom, nu hoor ik, dat de Duitschters daar op Atsab zal komen, en die damaras met geweld laten weggaan, en Atsab opbouwen als zyn plaats, zoo kan ik de werken van de Duitschters niet verstaan, want al zyne werken zyn in myne paden en plaatsen maar ik wil niet deze dingen aanzien, ik wil niet eers iets veroorzaken, want ik ben alleen met damaras te doen, van ouds, zoo als U Eld ook weet, en die damaras […]